Jos Hol (1995)

 

CHRISTUS spelen, dat wilde ik best. Dus heb ik auditie gedaan en de rol gekregen. Ja, ik ben een perfectionist en iemand die op zoek is naar inhoud. Daarom had ik de rol van Judas nog mooier gevonden. Die heeft veel meer inhoud dan die van Jezus. Maar Judas was al bezet.

 

Het eerste wat ik dacht toen ik de rol had gekregen was: Jezus, Jos, wat heb je je nu weer op de hals gehaald. Ik weet wat het is om de bühne op te gaan met het hart in de keel. Dat je je afvraagt, waarom doe ik dit in godsnaam? Het heeft te maken, denk ik, met het onderzoeken van je mogelijkheden, het verleggen van je grenzen.

 

Mijn voorbereiding op de rol verliep langs twee sporen. Het ene spoor was de documentatie. Boeken, films, theatervoorstellingen, alles wat maar over Jezus ging, heb ik als een gek verslonden. Avonden lang heb ik met Geert Beurskens, de Judas, gepraat over hoe we die rollen goed tegenover elkaar konden zetten. Met regisseur Richard den Dulk heb ik de teksten bijna letter voor letter geanalyseerd om op die manier technisch een goede Jezus te kunnen acteren. Want het was niet zo, dat ik me Jezus voelde...ik speelde hem. Ik kon aan het kruis hangen, het publiek zien huilen en dan zelf denken: wat zal Ajax gemaakt hebben?

 

Het tweede spoor was de innerlijke voorbereiding. Hoe blijf ik rustig onder al die trala, hoe kan ik de kracht van die Christusfiguur laten zien. Als Christus moet je een zeker charisma uitstralen. Dat kun je alleen maar vanuit je eigen innerlijke kracht. Mijn leven lang ben ik een zoeker, een twijfelaar geweest. En toen opeens werd van mij verwacht dat ik de leider was. Om daarvoor de innerlijke kracht te zoeken deed ik aan yoga of ik trok me een weekend terug in een klooster.

 

Maar dat die rol zo'n enorme inbreuk maakt op je privé-leven had ik niet gedacht. Op straat word je nageroepen, bij de bakker herkend. Opeens hebben heel wat Tegelenaren en Venlonaren van alles over je te roddelen. De meest waanzinnige roddel was wel dat mijn vrouw mij met de Judasspeler in bed zou hebben betrapt. Het is nu vijf jaar geleden en nog steeds word ik elke week wel een keer op die rol aangesproken.

 

Die overdreven aandacht voor de Christusspeler heb ik zoveel mogelijk proberen in te dammen. Ik deed niet mee aan het ontvangen van belangrijke gasten achter het toneel. Niet om rottig te doen, maar ik had het nodig me terug te trekken en me in stilte te concentreren. Ook in de repetitieperiode. Als anderen een pilsje gingen drinken, sloeg ik een sjaal om mijn hoofd en zocht de stilte. Dat is me in de groep niet in dank afgenomen.

 

Enkele keren heb ik me echt ontzettend eenzaam gevoeld. Gedacht: hier ga ik aan kapot. Twee keer heb ik op het punt gestaan de rol terug te geven. Dat ik toch heb volgehouden, daar ben ik achteraf enorm blij om. Want juist door die moeilijke momenten te overwinnen heb ik een enorme kracht gekregen.

 

Achteraf zie ik het allemaal als een gigantische levensles. Mijn yogalerares had het vaak over de Christuskracht in jezelf'. De kracht die je helpt heel moeilijke dingen aan te kunnen. Iedereen heeft die kracht, maar veel mensen weten dat niet. Ik heb die Christuskracht' in mezelf ook pas gevonden door het spelen van die rol. Alle bekendheid, al het applaus en heel die trala kan me gestolen worden, maar de innerlijke kracht die naar boven is gekomen, daar kan ik iets mee. Toevallig heb ik vanmorgen een telefoontje gekregen dat ik ben aangenomen als vrijwilliger in het Toon Hermanshuis in Venlo.

 

DE tweede keer dat ik bijna mijn rol heb teruggegeven was kort voor de première. Er was een zakelijk meningsverschil over de uitbetaling van uren die ik als onbetaald verlof had moeten opnemen. Uiteindelijk heb ik tegen de voorzitter gezegd dat hij zijn zilverlingen mocht houden. Maar het ergste was wel dat mijn vriend Judas in dat conflict partij koos voor het bestuur en mij liet vallen als een baksteen. Ja, dat voelde ik als een soort verraad. Een tijd later stuurde hij me een boek terug dat hij van me had geleend: Christus wordt weer gekruisigd van Kazanzakis. Over een dorp waar de passiespelen worden gespeeld en waar zich in het dagelijkse dorpsleven precies dezelfde intriges afspelen als in het stuk. Het lijkt Tegelen wel. Toch, als de Judas van toen morgen voor mijn deur zou staan dan zou ik hem met plezier verwelkomen. Rancuneus ben ik niet. Want ook al zegt het katholicisme me heel weinig, de figuur van Christus wel. Een levend voorbeeld. Iemand die aan het kruis wordt gespijkerd en toch kan zeggen: vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen....'