Jezus in 1973, 1975, 1980 en 1985.

 

Woont in Reuver. Werkte als kwaliteitscontroleur in een ijzer- en metaalgieterij. Is nu vutter.

 

„Ik ben geboren en getogen in Tegelen. Dat dorp heeft veel mensen voortgebracht die naam hebben gemaakt aan het toneel of in de filmwereld: André van den Heuvel, Huub Stapel, Ben Verbong, Chantal Janzen. Of het acteren er in de genen zit, weet ik niet. Maar er is wel een sterke wil om samen iets te maken, of dat nu bij een koor is, bij de harmonie of het toneel.

 

De Passiespelen zijn een deel van mijn leven. Mijn ouders deden mee. Ik begon in 1955, negen jaar oud, als figurant. Mijn eerste, echte rolletje was nagelbakdrager onder het kruis. In 1967 en 1971 verzorgde ik de proloog en de epiloog. Mijn vrouw heb ik ook leren kennen bij de Passiespelen. Zij was Maria Magdalena in 1967.

 

Toen de hoofdrolspeler in 1971 verstek liet gaan bij een fotoshoot voor het weekblad Panorama ben ik ingevallen als Christus. Twee jaar later kreeg ik die rol.

 

Het Rijke Roomse leven

 

Als kind was het vertolken van Jezus mijn droom. Het waren de dagen van het Rijke Roomse Leven. Bij de voorstellingen zat het stampvol: 150.000, 160.000 toeschouwers per seizoen. Buiten het theater stonden kraampjes waar handelaren van alles probeerden te verkopen: van rozenkransen tot prentbriefkaarten. Figurant en acteurs hadden hun haar lang. In de jaren vóór The Beatles viel dat nog op. Passiespelers die in dienst zaten, moesten zelfs dispensatie vragen voor hun kapsel.

 

De Christus was nog heel traditioneel: een plechtstatige figuur die overal handjes oplegde. Hij schreed ook over het toneel. In de loop van de jaren zestig ging dat wringen. Het tempo lag laag. Het stuk kon wel wat meer pit gebruiken. Als jongeren spraken we daar ook wel over. Toen de kerken leeg begonnen te lopen, werd het bij de voorstellingen van de Passiespelen ook minder druk.

 

'Blijf met je handen van die tekst af'

 

De tekst was van pater Jacques Schreurs, gedragen en op rijm. Daar hebben toen vooraanstaande mensen naar gekeken. Godfried Bomans. Pater Schillebeeckx. Die zeiden allemaal: blijf met je handen van die tekst af. De veranderingen zaten hem in de interpretatie: ik speelde Jezus niet meer als die plechtstatige weldoener van vroeger, maar als mens onder de mensen, een revolutionair die opkwam voor de armen en verdrukten.

 

Bij volgende Jezusvertolkingen was ik steeds ietsje rijper. Dat zal mijn spel net wat meer diepgang hebben gegeven. Maar in wezen probeerde ik nog steeds hetzelfde: ik wilde de toeschouwers op het puntje van hun stoel krijgen.

 

Wij deden mee met het hele gezin: ik, mijn vrouw, de kinderen. Als we op vakantie waren in Zeeland, kwamen we terug voor de repetitie, aten een frietje en reden weer terug naar de camping.

 

In 1990 heb ik het bewust aan jongeren overgelaten. Ik heb wel nog meegedaan in de figuratie. Spijt kreeg ik niet van die beslissing. Wel gevoelens van heimwee. Jezus was toch een beetje mijn rol geworden.”

 

Uit de Limburger (2000):

 

Theo Joosten (1973, 75, 80, 85)

 

ALS menneke van negen speelde ik al mee in de Passiespelen en van toen stamt mijn fascinatie voor de Christusrol. Wat wilde ik die graag spelen! Waarom, ja waarom? De Jezusfiguur doet me iets, hij is de centrale figuur. Al die mensen om je heen...de intocht in Jeruzalem...ik vond het schitterend.

 

Eens even kijken, wanneer heb ik ook alweer Christus gespeeld? Dat is geweest in 1973, 1975, 1980 en 1985. Begin jaren zeventig was de tijd van de leegloop van de kerken en ook de belangstelling voor het passiespel liep enorm terug. In 1971 zaten we soms voor honderd man te spelen. Om te voorkomen dat de belangstelling helemaal zou verdwijnen besloot het bestuur toen om niet de normale vijf jaar te wachten, maar in 1973 en 1975 te spelen.

 

In 1971 was ik al reserve-Jezus. Gespeeld heb ik die rol toen niet, maar ik heb wel als Jezus aan het hoofd van de twaalf apostelen tijdens het Laatste Avondmaal geposeerd voor de fotograaf van Panorama. Toen al had ik een beetje het idee, dat ik de rol misschien wel eens echt zou krijgen.

 

Dat ging in 1973 eigenlijk heel vanzelfsprekend. Gabriël Beckers was de regisseur en hij zei gewoon tegen me: Theo, ga jij de tekst van Jezus maar eens leren. Natuurlijk was ik apetrots. Maar ook voelde ik heel sterk de verantwoordelijkheid. Ik heb Jezus altijd gezien als een mens van vlees en bloed met dezelfde angst en hetzelfde verdriet dat we allemaal kennen. Dat was mijn streven: hem neer te zetten als een gewoon mens met al zijn tekortkomingen waar het publiek zich in kan herkennen.

 

Er was in die tijd wel al het idee dat we afmoesten van het oude clichématige Jezusbeeld van vroeger. Vooral toen in 1975 Har Huys als regisseur kwam is er hard aan die vernieuwing gewerkt. Har was een natuurtalent. Hij hamerde er op dat je vanuit je hart moest spelen om geloofwaardig over te komen. Dat heb ik vooral van Har geleerd: geloofwaardig overkomen. Soms gingen we na een repetitie nog door in een Tegelse kroeg, of bij iemand thuis tot het licht begon te worden. Niet drinken hoor, maar doorpraten over interpretatie en spelopvatting. Zo gedreven en enthousiast waren we.

 

Mijn favoriete scènes waren de massascènes. De intocht in Jeruzalem en de kruisweg. Prachtig vond ik dat. Vooral als ik merkte dat de mensen werden meegesleept door ons spel. Op een keer, tijdens de kruisweg, sprongen mensen in het publiek op en begonnen tegen de beulen te schreeuwen, dat ze me niet zo hard moesten slaan. Kijk, dan ben je goed bezig. Die beulen sloegen inderdaad soms flink door. Het waren dezelfde spelers, die ik aan het begin van het stuk als kooplieden uit de tempel had geranseld. Dat deed ik ook behoorlijk pittig, en dan zeiden die acteurs wel eens: dat zetten we je straks betaald. Voor de gein. Er gebeurde van alles. Een keer had het geregend en naast het kruis stond een plas water. Legden ze me bij de kruisafneming precies in die plas in plaats van in Maria's schoot.

 

BUITEN de repetities en de uitvoeringen dacht ik niet aan mijn rol. Als het tijd was voor de voorstelling dan kroop ik in de huid van iemand anders en als het afgelopen was kroop ik er weer uit. Punt. Soms ging ik met mijn vrouw, die ook meespeelde, in de speelperiode gewoon op vakantie in Zeeland. Kwamen we even terug om te spelen, pikten een frietje bij De Stevel en reden weer terug naar de camping in Zeeland. Maar tijdens het spel zelf gaf ik alles om de mensen op het puntje van de stoel te krijgen. Een enkele keer ging ik te ver. Je krijgt op een gegeven moment in de Hof van Olijven het sterke gevoel dat iedereen je in de steek laat en daar raakte ik soms zo van geëmotioneerd, dat ik mezelf moest terugfluiten.

 

Of die rol me persoonlijk heeft veranderd? Nee, absoluut niet, nul komma nul. Ik ben altijd met twee benen op de grond blijven staan. Het mooie aan die rol is het uitbeelden van de menselijkheid van deze figuur. Zijn eenzaamheid, zijn angst, zijn zwakheid, zijn vreugde, zijn moed om tegen het establishment te schoppen. Ja, dat revolutionaire bloed zit ook wel een beetje in mij. In het dagelijkse leven kun je dat lang niet altijd uitleven, maar op het toneel wel. De verkopers in de tempel, de farizeeërs en ook de apostelen...ja, die kon ik wel eens flink aanpakken.

 

Het was absoluut een prachtige tijd, maar op een gegeven moment heb ik gezegd: nu moeten de jongeren het maar overnemen. Nu doen we niet meer mee, nee. Ach, je krijgt andere interesses en er is ook wat voorgevallen waar ik het niet meer over wil hebben.

 

Of ik dit jaar ga kijken? Dat zou wel eens kunnen. '